





Inmiddels had ik de leeftijd bereikt om zelf het woord te nemen aan de deuren.Hoewel buitenstaanders vaak bewondering hebben voor de vrijheid van spreken van Jehovah’s Getuigen voelde ik me aan de deur toch erg onzeker.In tegenstelling tot de meeste Getuigen stond ik vaak met een mond vol tanden als er leerstellige vragen werden gesteld. (Dit waren vaak vragen over bloedtransfusies,de Drieeenheid of feestdagen)
Meestal probeerde ik mijn gesprek aan de deur te beperken tot het voorpagina-onderwerp van de tijdschriften (De Wachttoren en de Ontwaakt),welke ik na een korte introductie aanbood.
Wanneer er een oudere Getuige bij me was nam die meestal meteen het woord van me over en ontstond er een uitgebreid gesprek waar ik geen touw meer aan kon vastknopen.Mijn gedachten dwaalden af en ik stond van mijn ene op mijn andere been te huppen van ongeduld.Heel zo nu en dan werden we bij iemand binnen uitgenodigd en dat was altijd een opluchting omdat ik dan even kon zitten.Een nadeel was dan wel dat het gesprek meestal nog veel langer ging duren.
Het is mij in die jaren opgevallen dat Getuigen die erg enthousiast zijn over hun boodschap weinig rekening houden met het feit dat sommige mensen aan de deuren geen ‘nee’ durven te zeggen.Zo werden vaak eenzame mensen en jongeren onnodig lang aan de praat gehouden.
Ik dacht dan vooral aan de tijd ,die in elk geval verstreek want meestal gingen we 1 tot 2 uur prediken voor we ermee stopten.
Een van de zusters met wie ik vaak langs de deuren ging was een vrijgezel van in de 60.Ze was speciale pionier,dat wil zeggen dat ze 120 uur per maand aan het predikingswerk besteedde en kost en inwoning van de gemeente vergoed kreeg.Deze zuster stond bekend als zeer fanatiek en velen wilden dan ook niet graag met haar langs de deuren.Ze had een boosaardig gezicht en drong verschrikkelijk aan wanneer mensen te kennen gaven dat ze geen belangstelling hadden.
Als ze iets wilde voorlezen uit haar bijbel zette ze altijd haar voet over de drempel zodat ze half bij de mensen binnenstond.Het zou me niet verbazen als het ‘vooroordeel’ dat er de ronde doet over Jehovah’s Getuigen,namelijk dat ze hun voet tussen de deur steken,te danken is aan dit soort opdringerig gedrag.
Als de mensen aan de deur volhielden dat ze geen belangstelling hadden,vaak met de woorden:”Ik heb mijn eigen geloof” ,of zelfs kwaad werden,kwam er een sarcastisch glimlachje op haar gezicht en grinnikte hardop alsof ze zeggen wilde:”Dan moet u het zelf maar weten,wij hebben het ware geloof en u zult vernietigd worden tijdens Armageddon”.
Hoewel veel Getuigen dit geen prettige zuster vonden heb ik toch altijd bewondering gehad voor haar doorzettingsvermogen.Inmiddels is ze geen speciale pionier meer,maar nog steeds een actieve Getuige.
Zelf wist ik nooit hoe snel ik weg moest komen als iemand begon te schelden of aggressief werd.Maar de vele verhalen waar we tijdens vergaderingen op werden getracteerd,over Getuigen die een aanslag overleefden tijdens hun predikingswerk,sterkte de meeste Getuigen in hun geloof dat ze het goede deden en dat ze beschermd werden door Jehovah.
Binnen de gemeente had ik in die tijd xe9xe9n vriendin waarmee ik regelmatig in ”de velddienst” ging.Meestal deden wij dit op zaterdag, woendag- of zondagmiddag. Wanneer ik samen met mijn vriendin predikte hielden we het allebei altijd kort en probeerden de mensen niet te ergeren.Een enkele keer werden we bij iemand binnen genodigd maar ik denk dat de mensen dat vooral deden uit medelijden met die twee onzekere,jonge meisjes,in hun keurige rokjes…zelfs midden in de herft en winter.

Tijdens het prediken vreesde ik altijd dat een bekende me zag lopen,of dat ik bij een bekende zou aanbellen.
Maar ik was vooral bang dat er iemand opendeed van mijn eigen leeftijd.Of… wat nog erger was iemand die ik van school kende.
Dat is me dan ook een enkele keer overkomen maar het bleek meestal dat die ander zich net zo ongemakkelijk voelde als ik en dat ze me dan vriendelijk te woord stonden.
Door de week werd er vooral binnen de stad gepredikt,bij gebrek aan vervoer ,maar in het weekend waren er meestal ‘broeders en zusters’ met een auto zodat we naar het ‘Buitengebied’ konden:de kleinere dorpen en boerderijen.
Hier liep je de minste kans om door bekenden te worden gezien dus wanneer andere jongeren uit de gemeente in ‘de velddienst’ wilden deden ze dat bij voorkeur op zondagmiddag.
Dan spraken ze meestal met een hele groep jongeren af.
Het viel me op dat de meeste jongeren ‘er een potje van maakten’ op het moment dat er geen volwassenen bij waren.Er werd tussen het aanbellen door niet alleen uitgebreid gepraat over de nieuwste mode,make-up,lijnen,nieuwe films maar er werden ook veel schunnige moppen verteld.Omdat ik zo groen als gras was,kon ik nergens over meepraten en bleef er zelfs tijdens het prediken een grote kloof tussen ons.
Meestal spraken de andere jongeren af om nog gezamelijk iets te gaan doen na een uurtje ‘velddienst’ terwijl ik nog een uurtje doorging met de ouderen.
Ik kan me niet xe9xe9n keer herinneren dat deze groep ooit heeft geprobeerd om mij,mijn zus of broer ergens bij te betrekken.